Endocriene aandoeningen

Hyperparathyreoïdie

De bijschildklieren (parathyreoïden) liggen in de hals, meestal dicht tegen de schildklier aan. Bijschildklieren zijn bijzonder klein, ongeveer zo groot als een rijstkorrel. Meestal zijn er vier bijschildklieren. De bovenste twee liggen hoog achter de schildklier, de onderste twee liggen lager en iets meer naar voren, maar kunnen ook in de schildklier of achter het borstbeen liggen. De bijschildklieren zijn belangrijk voor de kalkhuishouding van het lichaam. Kalk (calcium) is een belangrijk mineraal voor de aanmaak van botten. Als er minder kalk in het bloed is, dan maken de 1 Het verwijderen van een bijschildklier bijschildklieren meer bijschildklierhormoon aan. Dit bijschildklierhormoon heet parathormoon (PTH). Door een stijging van het PTH in het bloed zal de kalk in het bloed weer gaan stijgen. Dit gebeurt op verschillende manieren: het bijschildklierhormoon maakt bijvoorbeeld kalk vrij uit de botten. Het bijschildklierhormoon stimuleert ook de productie van vitamine D in de nieren. Vitamine D is belangrijk voor de opname van kalk uit de darm. Ook hierdoor stijgt het kalkgehalte in het bloed. Zodra dit kalkgehalte in het bloed weer normaal is, maken de bijschildklieren minder bijschildklierhormoon aan.

Bij sommige mensen maken de bijschildklieren te veel bijschildklierhormoon aan. Dit heet hyperparathyreoïdie. Hyper betekent ‘te veel’, parathyreoïdie verwijst naar de bijschildklier. Dan komt er te veel kalk in het bloed. Vaak gebeurt dit door het vrijkomen van kalk uit het bot, waardoor het bot kalkarm wordt. Een te hoog kalkgehalte in het bloed kan klachten geven, zoals botpijnen, nierstenen, buikklachten, vermoeidheid en psychische klachten. Vaak zijn er weinig klachten en wordt de diagnose bij toeval gesteld. Andersom kan de bijschildklier ook te weinig bijschildklierhormoon afgeven, waardoor er een tekort aan kalk in het bloed ontstaat. Dit heet hypoparathyreoïdie. Hypo betekent ‘te weinig’. Vaak is dit het gevolg van een operatie aan de schildklier, waarbij de bijschildklieren ook zijn verwijderd of beschadigd.

Bij u is een versterkte bijschildklierfunctie geconstateerd (hyperparathyreoïdie). Om vast te stellen of u wel of niet geopereerd moet worden zal een aantal onderzoeken worden verricht. Het kan ook zijn dat u de onderzoeken al heeft gehad.  Als de onderzoeken nog moeten worden verricht krijgt u hier aparte afspraken voor. Geprobeerd wordt de onderzoeken alle op één dag te laten plaatsvinden. Als er nog meer onderzoeken nodig zijn, hoort u dit van de arts. De uitslagen van de onderzoeken die al hebben plaatsgevonden worden bij uw verwijzend specialist opgevraagd. Op basis van alle onderzoeksuitslagen bespreekt de arts met u of u geopereerd kunt worden. De diverse onderzoeken staan hieronder beschreven.

Bepaling van bloedwaarden
Via een bloedonderzoek wordt het gehalte van het bijschildklierhormoon (PTH) bepaald. Daarnaast wordt de hoeveelheid kalk bepaald en de werking van de nieren gemeten. Op basis van de onderzoeksuitslagen kan de arts vaststellen of er al enige schadelijk effect op de nieren heeft plaatsgevonden door een te hoog kalkgehalte in het bloed.

Urineonderzoek
Door uw urine te onderzoeken kunnen wij bepalen hoeveel kalk er door de nier in uw urine wordt uitgescheiden. Een medewerker van de polikliniek zal u uitleggen hoe u gedurende 24 uur de urine dient te verzamelen. U krijgt een folder over het 24-uurs urine onderzoek.

Botdichtheidsmeting
Mensen met hyperparathyreoïdie ontwikkelen ook botontkalking. Daarom vindt er bij u een botdichtheidmeting plaats op de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming. U krijgt een folder met uitleg over dit onderzoek.

Bijschildklierscintigrafie
De bijschildklierscintigrafie is een onderzoek waarbij een specialist na toediening van een licht radioactieve stof kijkt naar de ligging van de bijschildklieren. Het onderzoek wordt gedaan op de 3 Het verwijderen van een bijschildklier afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming. U ontvangt een folder met uitleg over dit onderzoek.

Patiënten met hyperparathyreoïdie worden vaak geopereerd. De noodzaak van de operatie wordt in een bespreking tussen de chirurg en de internist vastgesteld. De uitslagen van de eerder verrichte onderzoeken worden hierin meegenomen. Ter voorbereiding op een operatie heeft u een aantal gesprekken gehad op de polikliniek, onder andere met de arts en de verpleegkundige. Meer informatie hierover vindt u in de folder ‘Uw bezoek aan de polikliniek’, welke u voorafgaand aan uw eerste polikliniekbezoek heeft ontvangen. Om u goed op de narcose voor te bereiden heeft u een afspraak met een anesthesioloog op de polikliniek Anesthesiologie (PoPa). Hiervoor krijgt u per brief een aparte afspraak thuisgestuurd. Op de polikliniek Anesthesiologie vult u op de computer een vragenlijst in over uw gezondheid en welke medicijnen u eventueel gebruikt. Wanneer het u niet lukt zelf de vragenlijst op de computer in te vullen, kunt u hierbij worden geholpen door een van de medewerkers van de polikliniek. Soms vindt de anesthesioloog het nodig extra onderzoek uit te voeren – bijvoorbeeld een hartfilmpje (elektrocardiogram of ecg) of een röntgenfoto van hart en longen – voordat u onder narcose kan worden gebracht. De anesthesioloog geeft u vervolgens informatie over de narcose tijdens de operatie. Als u bloedverdunnende medicijnen gebruikt moet u daar voor de operatie mee stoppen. De chirurg en de anesthesioloog vertellen u op welk moment u met de medicijnen moet stoppen.

De operatie
De anesthesioloog brengt een infuus bij u in waardoor u de narcose krijgt toegediend. Daarna voert de chirurg de operatie uit. Er bestaan twee operatietechnieken om een bijschildklier te verwijderen: de zogenaamde minimaal invasieve methode en de conservatieve methode. Op de polikliniek heeft de chirurgie de noodzaak van de ingreep met u besproken. Ook heeft de chirurg de keuze van deze procedure aan u uitgelegd.

Minimaal invasieve methode
De operatie wordt verricht onder volledige narcose en duurt ongeveer een uur. U ligt met uw hoofd enigszins achterover. De chirurg maakt een kleine snee van twee tot drie centimeter in uw hals, waarna hij de bijschildklier kan verwijderen. De pijn na de operatie valt over het algemeen mee. Bovendien is het ongemak van de operatie veel minder dan met de ouderwetse operatie, omdat u maar een klein litteken heeft.

Conservatieve methode
Soms is het niet mogelijk om via een minimaal invasieve methode een optimale ingreep uit te voeren. Bijvoorbeeld bij een vergrote schildklier (struma), bij meerdere vergrote bijschildklieren, of na eerdere halsoperaties. In deze gevallen maakt de chirurg een wat grotere snee van zes tot acht centimeter, waarna hij de gehele schildklier vrijlegt, de bijschildklieren opzoekt en de aangedane bijschildklier(en) verwijdert. Deze operatiemethode duurt dan ook langer, variërend van één tot drie uur.

Aanvullende methoden
Gedurende de operatie worden er twee mogelijke aanvullende methoden toegepast om zeker te zijn dat de bijschildklier(en) goed zijn verwijderd:
• Radioactieve techniek. De chirurg spoort de overactieve bijschildklier op met een klein apparaatje en een zeer lage hoeveelheid radioactiviteit. Deze radioactieve vloeistof spuit een laborant kort voor de operatie in uw arm of been. De vloeistof wordt opgenomen door de overactieve bijschildklier. De zeer lage hoeveelheid straling heeft geen negatief effect op uw omgeving.
• Snelle bepaling van de hoeveelheid bijschildklierhormoon (PTH) in het bloed. Wanneer de chirurg een vergrote bijschildklier heeft verwijderd, beoordeelt hij aan de hand van bloedonderzoek tijdens de operatie of de ‘schuldige’ bijschildklier is verwijderd of dat er nog een tweede overactieve bijschildklier aanwezig kan zijn. In dat laatste geval wordt deze schildklier alsnog opgezocht en verwijderd.

Weefselonderzoek
In het pathologisch laboratorium onderzoekt de patholoog onder de microscoop het weefsel van de weggenomen bijschildklier. De chirurg bespreekt de uitslag van dit onderzoek met u, ongeveer twee weken na de operatie op de polikliniek. Zo weet u zeker óf en hoeveel bijschildklieren zijn verwijderd.

In deze folder vindt u uitgebreide informatie over de bijschildklieroperatie:
Bijschildklieroperatie

Schildklierkanker

De schildklier is een vlindervormig orgaan dat in de hals voor de luchtpijp ligt. Zij bestaat uit twee delen die met elkaar zijn verbonden met de zogenaamde isthmus. De schildklier produceert hormonen die belangrijk zijn voor de regulatie van de stofwisseling. Voor de productie van die hormonen is de schildklier voornamelijk afhankelijk van een voldoende aanbod van jodium in het lichaam. In de directe omgeving van de schildklier liggen links en rechts de zenuw naar de stemband. Ook liggen direct tegen de schildklier, meestal aan de achterzijde, vier bijschildkliertjes; twee aan de linkerkant en twee aan de rechterkant. De bijschildklieren zijn van belang voor een goede calciumhuishouding.

Afwijkingen aan de schildklier zijn onder te verdelen in gezwellen of functiestoornissen. Een gezwel in de schildklier is de meest voorkomende aandoening. Meestal is deze aandoening goedaardig. Slechts in een enkel geval is er sprake van een kwaadaardig proces. Een gezwel kan een cyste zijn (een met vocht gevulde holte) of een solide gezwel (een vaste knobbel). Soms vormt het gezwel een onderdeel van een vergrote schildklier (struma). Bij een functiestoornis werkt de schildklier te snel of te langzaam. Klachten van een te snel werkende schildklier kunnen zijn gejaagdheid, veel transpireren, vermagering, diarree en een hevige menstruatie. Deze klachten kunnen soms met medicijnen worden behandeld, maar soms is een operatie noodzakelijk. Een te traag werkende schildklier uit zich door sloomheid, kouwelijk zijn en verstopping. Dit wordt behandeld door het geven van medicijnen (schildklierhormoon).

Om vast te stellen welke aandoening u heeft zijn verschillende onderzoeken mogelijk. De chirurg bespreekt met u welke onderzoeken u krijgt.

● Dunne naald punctie
Uit het gezwel worden met een dunne naald cellen opgezogen. Deze worden vervolgens onder de microscoop bekeken. Meestal kan op deze manier worden uitgemaakt of er mogelijk sprake is van een kwaadaardig gezwel.

● Bloedonderzoek
In het bloed wordt de het gehalte van het schildklierhormoon bepaald.

● Schildklierscan
Met behulp van een licht radio-actieve stof wordt gekeken of er afwijkende gebieden in de schildklier voorkomen. Bij een gezwel is er ter plaatse van het gezwel een lage activiteit zichtbaar. Dit noemen we een koud gebied. Is er sprake van een hoge activiteit dan noemen we dit een warm gebied.

● MRI
Bij een MRI worden met een magneetveld en korte radiogolven bepaalde signalen in het lichaam opgewekt. Deze signalen worden met een computer omgezet in een beeld. Deze methode wordt gebruikt om de uitgebreidheid van een schildklierafwijking beter te kunnen vaststellen (zie ook de brochure ‘MRI’ van de afdeling Radiologie).

● Onderzoek door een endocrinoloog
Soms wordt de patiënt ook gezien door een endocrinoloog; een internist die is gespecialiseerd in stofwisselingsziekten.

Het kan om verschillende redenen nodig zijn dat u aan uw schildklier wordt geopereerd:
• Als kwaadaardigheid bewezen is of sterke verdenking op kwaadaardigheid bestaat. Meestal betreft het hier een enkelvoudige zwelling in de schildklier en/of verdachte lymfeklieren in de hals.
• Als de schildklier te snel werkt en dit moeilijk of niet is te behandelen met medicijnen.
• Om mechanische redenen, dat wil zeggen druk op bijvoorbeeld de luchtpijp (waardoor de ademhaling wordt bemoeilijkt) of druk op de grote vaten (stuwing). 3 Schildklierkwab verwijdering/totale schildklier verwijdering
• Om cosmetische redenen, bijvoorbeeld bij een grote knobbelige schildklier. De operatie wordt echter zelden om deze reden uitgevoerd.

Afhankelijk van de reden waarom u moet worden geopereerd, wordt de schildklier geheel of gedeeltelijk verwijderd. Meestal wordt voor de operatie gecontroleerd of de stembanden goed functioneren. Omdat de stembandzenuwen, die ervoor zorgen dat de stembanden kunnen bewegen, vlak bij de schildklier liggen, bestaat een kleine kans dat een zenuw tijdens de operatie wordt beschadigd.

Soorten operaties
Totale schildklierverwijdering
In het geval van een kwaadaardig gezwel wordt bijna altijd de schildklier in zijn geheel verwijderd. Ook bij forse vergroting van de schildklier is het soms noodzakelijk de schildklier in zijn geheel te verwijderen.

Schildklierkwab-verwijdering
Bijvoorbeeld bij een zwelling in één helft van de schildklier, waarbij onduidelijk is of deze goedaardig of kwaadaardig is, wordt deze schildklierkwab in zijn geheel verwijderd. Verwijdering van de isthmus Bij een gezwel in het middenstuk van de schildklier (isthmus) wordt soms alleen dit stuk verwijderd.

In deze folder vindt u uitgebreide informatie over de operatieve behandeling:
Schildklieroperatie

Bijnieren

De bijnier is een orgaan dat hormonen maakt voor veel verschillende systemen in uw lichaam. Zo maakt de bijnier onder andere een hormoon dat een rol speelt bij de zouthuishouding van uw lichaam. De hormonen worden gemaakt in de schors van uw bijnier. Het binnenste van uw bijnier – het merg – maakt adrenaline. Adrenaline is nodig om uw bloeddruk op peil te houden.

Een bijniertumor (gezwel) is een zeldzame aandoening. Ze komen voor in de schors en in het merg van de bijnier. De meeste zijn goedaardig en veroorzaken geen klachten. Als u wel klachten heeft dan ontstaan die doordat uw bijnier teveel hormonen of adrenaline aanmaakt. Doordat uw bijnier veel verschillende hormonen maakt kan een bijniertumor ook veel verschillende symptomen hebben. Enkele van de mogelijke symptomen zijn een te hoge bloeddruk, overgewicht op de borst, buik en/of billen, en mannelijke haargroei bij vrouwen.

Een goedaardige bijniertumor veroorzaakt meestal geen klachten. Hij wordt daardoor vaak bij toeval ontdekt, bijvoorbeeld omdat hij toevallig zichtbaar is op een echo of CT-scan van uw buik. Als bij u op deze wijze een tumor is ontdekt bent u doorverwezen naar een internist voor verder onderzoek. Heeft u wel klachten, dan bent u daarmee waarschijnlijk eerst voor onderzoek bij een internist geweest. Hij heeft na één of meerdere onderzoeken vastgesteld dat een bijniertumor de oorzaak is van uw klachten. De symptomen die op een tumor in de bijnier kunnen wijzen hebben meestal een heel andere oorzaak. Er zijn daardoor veel verschillende onderzoeken mogelijk die tot de uiteindelijke diagnose kunnen leiden dat u een bijniertumor heeft. Het voert te ver om hier alle mogelijke onderzoeken te beschrijven. In overleg met uw internist besluit u of u uw bijnier met de tumor laat verwijderen. Als u hiervoor kiest, verwijst de internist u door naar een chirurg voor een operatie. De chirurg heeft soms aanvullend onderzoek nodig, bijvoorbeeld om te zien of uw bijnier vergroeid is met een aangrenzend orgaan.

Om de tumor te verwijderen moet de chirurg u opereren. Bij grotere tumoren is het nodig uw hele bijnier te verwijderen, bij kleine is het vaak voldoende om slechts een deel te verwijderen. Er zijn twee methodes. Verreweg de meeste tumoren (negentig procent) zijn te verwijderen met een kijkoperatie. Voor de rest is een gewone operatie nodig. Het gaat dan vaak om grote of kwaadaardige tumoren of omdat een kijkoperatie om andere redenen niet mogelijk is, bijvoorbeeld door eerdere operaties. Voor beide methodes gaat u onder algehele narcose. Meer informatie over narcose krijgt u van de anesthesist. U krijgt Chirurgie 3 hiervoor een afspraak mee als u door de chirurg op de opnamelijst wordt geplaatst. Soms kan u na het bezoek aan de chirurg direct door naar de anesthesist.

In deze folder vindt u uitgebreide informatie over de operatieve behandeling:
Bijnieren